Karper: Lac du Salagou en Lac du Paraloup

Don’t worry about the wind

Regen klettert op mijn dak en op het gladde wateroppervlak dat hier om de haverklap verandert. Van golven zo hoog dat varen ons bang maakt tot het moment waar ik me nu in bevind, spiegelglad. En grauw. Toch, vanochtend was er hier nog zon, en zo lekker dat al mijn vermoeidheid er in wegzonk. Als een schildpad in de zon zo voelde ik me op mijn stoeltje. Ik had die zon ècht nodig.

Gisteren was het niks, afgepeigerd en teleurgesteld. Wat een toestand! In een ruk hadden we  die 1300 kilometers gereden. Over de Route du Soleil gescheurd, dwars door die lange, lange eindeloze nacht. Met Red Bull hadden we die laatste uren onze ogen moeten stutten en diep in de pikdonkere nacht kwamen we  dan toch eindelijk, eindelijk die bekende ‘afslag 31’ bij Montpellier tegen. Toen we via verlaten binnenweggetjes met onze steeds sneller kloppende harten uiteindelijk het water als een oude geliefde herkenden, waren we tevreden op de bekende oever onder een betoverende sterrenhemel in slaap gevallen.

Totdat we twee uurtjes later, in de vroegte van de ontluikende schoonheid van Lac du Salagou, weer wakker werden. Wat een water, wat een schoonheid! Toen gingen we op pad, vooral Jim, mijn zoon, had er zin in. Hij stond, aan z’n glimmende oogjes te zien, te popelen van ongeduld. Maar toen wisten we het nog niet. Oh nee, we waanden ons allebei nog steeds in de rode hemel.

Ik leer het ook nooit! In hemelsnaam, waarom had ik van te voren niet even geïnformeerd, of op het internet gekeken? Nee, sterker nog, niet één enkele haar op mijn hoofd dacht er zelfs één moment over na dat regels misschien wel zouden kunnen veranderen. Ja, die regels waren veranderd, alsof de duvel er mee speelde. Ons mooie Lac du Salagou verdween dan ook als sneeuw voor de zon van het podium. “Vanaf de tweede dinsdag van april tot juni: ‘carpe de nuit interdit!’ Het stond duidelijk in de laatste editie van het visboekje dat de man van de bekende viswinkel ons voor ogen hield. Wij zaten verdorie midden in die periode. We konden wel door de grond zakken. Maar er waren nog wel wateren in de buurt waar het nog wèl mocht, zei de man er snel achteraan toen hij ons zo pijnlijk zag inkrimpen.

En één van die wateren, daar zijn we nu beland. ‘Lac du Paraloup’, ongeveer honderd kilometer verder. Maar wel weer na een lange, lange weg dwars over steile bergpassen totdat we helemaal afgepeigerd arriveerden, vergunningen haalden en diep in de middag uiteindelijk besloten waar die plek moest zijn waar het allemaal zou kunnen gaan gebeuren. Een ondiepe tak van Pareloup, een enorme plas van 1239 ha die zelfs met al z’n dikke, gespierde armen nog veel groter is dan Salagou. Het stormde, en de wind blies veelbelovend al de hoge golven die baai in.

Die eerst nacht sliepen we natuurlijk als ossen. God wat waren we moe, afgebeuld.  Toen ook nog de aluminium stok van mijn tent bij het opzetten knapte in de harde wind. Nee, we werden er niet vrolijker door. Toen repareren, praktiseren en prutsen. Gelukkig, lukte het en nadat alles eindelijk klaar was, samen tevreden proostend met een biertje in ons hand in mijn tentje naar buiten keken, kwam de rust langzaam weer in onze aderen binnen. Een rust die samen met de vraag hoe het op Parleloup met de karpers was gesteld ons weer langzaam oppepte. Vroeg gingen we daarna slapen en ondanks dat de wind met zijn bolle wangen almaar over onze tenten toeterde, vielen we toch spoedig in een diepe, diepe slaap.

Van de winderige nacht merkten we bitter weinig. Totdat ik de eerste was die langzaam weer op aarde kwam. Waarschijnlijk van de heftige discussie dat mijn Knuckelhead vermoedelijk al een hele tijd voerde met een druk doende Fox van mijn zoon. En toen ik daarna uit mijn tent sprong om hen de monden te snoeren zag ik tot mijn stomme verbazing dat er een karpertje als een circuspaard rondjes door het heldere water zwom. Uiteindelijk ving Jim zijn ‘gupje’ dat natuurlijk oorzaak was van de vete tussen de twee piepers. Waarschijnlijk had hij de halve nacht rondjes dwars door alle draden gezwommen, wat een klittenzooi was dat! Een spiegeltje van een pond of vier. Spijtig, twee andere lijnen lagen verankerd aan één van de vele boeien die hier in de baai dobberen, één van mij en één van Jim. Op z’n minst hadden we dus al twee vissen verspeeld. Héél spijtig, maar er zit karper in de baai en dat is zeker. Laat ik met deze heuglijke mededeling eindigen.

De ochtend is nog jong en mijn zoon is nog steeds in een diepe slaap. Ik zal hem dadelijk wel weer zien, en wanneer hij met z’n handen in z’n zakken vanuit z’n tentje aan zal komen lopen, zal ons onderwerp wel weer gauw bij de karper blijven steken. Karpers en z’n Kreidler dat zijn momenteel zijn twee geliefden. Maar z’n scheurijzer staat thuis en hier gaat het dus louter om die andere liefde dat ondanks alles toch al weer aardig aan het opbloeien is.

Het is hier natuurlijk lang niet zo mooi als op Salagou. Het is niet zo blauw, niet zo rood en niet zo paradijselijk. “Het lijkt verdorie het Hollands Diep wel,” zei Jim gisteren een beetje cynisch toen hij somber in de verte keek. Maar nu, een dag later, valt het allemaal reuze mee en is het gewoon een doorsnee Frans meer, blauw van kleur met een landelijke groene en glooiende achtergrond. Logisch, gisteren zag ook alles immers zo grauw, maar nu is alles anders. De zon schijnt en we gaan karpers vangen, klaar uit! Ja, twee nachten verder en twee karpers, weliswaar geen grote, rijker. Toch die laatste was negentien pond! Het begint er op te lijken.

De maïs die wij hier rondstrooien begint z’n vruchten ook al aardig af te werpen. Zes aanbeten, waaruit we twee karpers vingen. Gisteren in de middag en in de avond had Jim nog twee runs voor de kant en dat op twee meter diepte. Keihard, maar helaas het o zo bejubelde draad (Fireline) hield niet lang stand. “Pats!”, zei de eerste al tijdens dat Jim sloeg en bij de tweede karper hield hij nog wel stand maar helaas had de karper het sterke onderlijntje al na vijf seconden ‘doorgekauwd’ ( zo zag het uiteinde er uit). Die negentien ponder ving hij in de nacht, en allemaal op maïs. “Maïs?“ zal je denken wat orthodox? Ja, maïs misschien wel het meest oubollig karperaas dat er bestaat, maar toch, als ik weer terugdenk aan wat ik op Salagou meemaakte.

Eigenlijk voelde ik me daar een beetje voor aap staan. Toen er, die laatste dag op Salagou (Na zeven dagen en nachten te hebben geblankt), een nieuwsgierige Fransman op bezoek kwam, en ik midden in mijn betoog, dat hoofdzakelijk bestond uit hoe aller Jezus moeilijk het was om daar toen een karper te vangen, plotseling z’n blik naar de andere kant van de baai zag verschuiven. Terwijl ik mijn verhaal afkapte en hij gelijktijdig met z’n vinger in de richting wees draaide ik mijn hoofd. “Look!” zei hij nog en ik zag dat een jongen die daar net was komen zitten met een kromme hengel bij de kant staan. Hij zat daar net een uurtje! Ik pakte de verrekijker, want ik kon het haast niet geloven. Het was niet eerlijk! En toch, wat zag ik daar door de ogen van de kijker? Inderdaad, hij had een karper aan z’n kleine werphengel. Een karper die hij op een wilde manier uit het water probeerde te trekken. Als een tonijn aan een harpoen. Zo tilde hij de vis op het ‘dek’, met pure kracht. Hij had niet eens een landingsnet! En weet je wat het ergste was? Het lukte hem gewoon, de Barbaar kreeg de karper gewoon op de kant alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Daarna draaide hij zich triomfantelijk naar ons toe en hield de dikke karper als een gewonnen trofee met een harde brul boven zijn hoofd. Wat was dat in godsnaam voor een karpervisser die mijn jaloersheid zo deed opborrelen? En niet één keer, want op diezelfde manier ving hij er vlak achteraan nòg een. Ja, wat was eigenlijk zijn geheim dat hij met z’n armetierige uitrusting wèl had, en wij met onze high-tech niet. En nadat ik de Fransman dan maar over de factor geluk vertelde, hij mijn frustraties daarover voelde, verdween hij weer. En ik kon eindelijk met Mike, mijn andere zoon, poolshoogte gaan nemen.

Hij was al weer aan het opruimen en zo in gedachten verzeild dat hij zich een hoedje schrok toen ik hem aansprak. Een flinke jongen van een jaar of vijftien. Twee ‘hengeltjes van geel’, zoals mijn zoon ze noemt. Je weet wel, van die werphengeltjes die als een set wordt verkocht: molentje met een beugel van enkel ijzerdraad, dobbers van plastic, tezamen in een doorzichtig hoesje. Voor nog geen geeltje kon je ze vroeger kopen, en hij had  twee hele verschillende exemplaren. Een Franse jongen samen met zijn ouders op vakantie. Zijn net was hij vergeten en het geheim was gewoon maïs, ordinaire maïs. Van boilies had hij nog nooit gehoord.

De derde nacht was niets. De derde nacht was windstil. De derde nacht was ijskoud, het vroor en de aanbeten bleven uit. Ik droomde en ik droomde, ellenlange verhalen, als een marathon van de vreemdste films aller tijden. Wat een nacht! En terwijl ik weer op de eeuwige stoel in het zonnetje mijn verhaal aan het schrijven ben, is Jim gaan varen met onze nieuwe boot, een rib uit mijn ‘magere lijf’. En als ik aan de boot denk, komt er een bekende man in mijn gedachten. Een donkere man met een dikke sigaar in z’n mond. Ik ben weer op Salagou beland waar het verhaal begon over onze nieuwe boot.

“Zo jongens wat gevange?” zei de ietwat excentrieke man met een Amsterdams accent, terwijl z’n sigaar wankelde en elk moment uit z’n mondhoek kon vallen. Nee, dat hadden Mike en ik nooit gedacht. Dat we daar al wandelend rond die beroemde Salagou-tafelberg een Hollands, sigaren rokende man zouden tegenkomen met een donker creools uiterlijk. Die ook nog, zo te zien aan z’n boot waarvan hij net de ventielen losdraaide, als klap op de vuurpijl, als hobby het karpervissen beoefent. Nee, zo zie je ze niet veel. We raakten aan de praat.

Het was een echte einzelgänger en dat vond hij wel best. Zo kreeg hij geen ruzie en kon hij doen en laten wat hij zelf wilde. Zeven dagen en zeven karpers had hij gevangen waarvan er drie boven de dertig pond uitkwamen. Nu ging hij weer naar huis met een verzadigd gevoel dat hij met witte wolkjes uit z’n mond vierde, alsof hij net een flinke vrijpartij achter de rug had. Het feest was geweest. Maar niet voor ons, en we konden zijn stek dan ook héél goed  gebruiken. “Maar dan moet je wel een goede boot hebben,” zei hij met een zorgelijke blik, terwijl hij zijn luxe Zodiac leegpompte. Dat hadden we, tenminste, dat dachten we.

Maar niets bleek minder waar. Toen hij ons even later met het vaartuigje zag verschijnen, werden z’n ogen nog groter dan ze al waren en even wist hij niks te zeggen. Totdat hij de juiste volgorde weer had gevonden en losbarstte. “Nee, ik wil dit niet op mijn geweten hebben! Ik wil dit niet op mijn geweten hebben!” zei hij keer op keer met een overslaande stem alsof wij al met het bootje ten onder waren gegaan en hij het, met dikke, vette letters, op de voorpagina van de Telegraaf las: ‘Karpervissers verzopen!’ “Jullie moeten maar weer terug komen wanneer jullie wel een echte boot hebben!” zei hij nog. Hij zou ons zelfs nog hardhandig het idee uit onze hoofden stampen als het moest. Maar dat hoefde gelukkig niet. We begrepen de boodschap. Inderdaad, het was misschien een beetje te gevaarlijk om daar recht in de wind met al die hoge golven in dat baaitje, tussen al  die rotsen met het plastik bootje te gaan freewheelen.

Nu hebben we eindelijk een volwaardige boot met een heuse elektromotor, mogen we niet nachtvissen op Salagou! “Bedankt mensen, nogmaals bedankt voor jullie medewerking!” Toch moeten we er nu maar het beste van maken en wanneer ik weer mijn dikke trui, die me de nacht hielp te overleven, uitdoe, probeer ik al de feiten bij elkaar te schrapen.

Ten eerste: Lac de Pareloup, ik heb niet veel over je gehoord toch klink je bekend in mijn oren.

Ten tweede: De twee Franse karpervissers die we in de zomer van 2002 op Salagou hadden ontmoet, lieten ons er zelfs in het Michelin boek een cirkel omheen zetten. Dus er zullen best wel grote vissen zwemmen.

Ten derde: Maar aan de andere kant, de realiteit: Wat wij op dit ogenblik kunnen meten, is dat er in dit hoogseizoen, waar karpervissers lekkerbekkend naar uitkijken, hier tot mijn grote verbazing geen enkele te vinden is.

Ten vierde: Samen met die twee kleintjes, die we reeds hebben gevangen moeten we misschien wel concluderen dat samengevat met punt vijf: De enige man die ik hier tot nu sprak, de aardige oude man van het tuinhuisje achter ons, vertelde dat het meer in ’93 droog was gelegd…en misschien leeggeschept? Tien jaar geleden. Dus in het slechtste geval zijn de karpers nog niet eens in hun pubertijd! Ach wat..

Ten zesde: Ik moet gewoon ophouden met zeuren! Klaar uit! Alleen de wind moet maar weer gaan blazen anders wordt het helemaal niets.

Dag vier. Water kabbelt, wolkendek drijft langzaam over onze tenten en Jim is alweer met z’n slaperige hoofd, z’n onstuimige kapsel, en een wild verhaal bij mij op bezoek geweest. Hij maakte me wakker en vertelde over een aanbeet in de vroege ochtend die z’n slip bijna liet koken, maar in een fractie van een seconde van z’n euforie een drama maakte. Draadbreuk, de zoveelste op rij (alsof de karpers hier standaard een schaar bij zich dragen). Maar er is nog hoop want we hebben nu met elkaar afgesproken dat we bij een volgende run niet meer zullen slaan, maar voorzichtig de hengel op pakken, en alleen de lijn strak trekken. Daarna zullen we in de boot springen en dit allemaal om te proberen het op een vredige manier op te lossen. Nu maar wachten op die run.

Vanmiddag ga ik boodschappen doen want onze zwarte etensbak heeft niets spannends meer in petto dan alleen de puree, de saaie blikken met groenten en twee blikken met stoofvlees waarop een patatje op staat afgebeeld met de brokjes er rijkelijk overheen gegooid. 37% gekookt paardenvlees staat er op het blikje. Eerst dacht ik nog: raar, zou de andere 63% dan nog rauw zijn (Dombo!)? Maar toen ik verder las bleek er nog veel meer in het blik te zitten. Vanmiddag gaan we de brokjes verorberen samen met puree en een blik rode kool.

“Shit!” het goedkope bier dat ik vanmiddag in het dorpje heb gekocht blijkt kinderbier te zijn, de brokjes stoofvlees een soort Kittekat (Niet te eten), en die klote wind is weer begonnen en blaast al die schaarse karpers waarschijnlijk zo de baai weer uit. Wel hebben we weer wat lekkere dingen die de zwarte bak weer wat opfleurt.

Alweer over de helft. De weegschaal is naar de andere kant doorgeslagen en weegt nu tijd harder dan ooit. Symbolisch, aan de ene kant (Spartelend in dat ene bakje van het weegapparaat): de drie kleine karpertjes. Aan de andere kant: het grote vraagteken! De droom van ons karpervissers: die dikke vette veertiger! Toch: ‘drie al?’ Ja, net ving Jim nog een karpertje op zijn verste hengel. Zo onverwacht en dat terwijl ik enkele van mijn befaamde jeugdverhalen aan zoonlief prijsgaf. Verhalen van weleer waar Stefan, een jeugdvriend, en ik op de brommer probeerden de politie voor de gek te houden. Hoe ze achter ons aan kwamen, en hoe we vlug van kleren wisselden op het schoolplein vol giechelende huishoudleerlingen, zodat ze ons niet zouden herkennen. Tenminste dat dachten we. Hoe ik bij een trouwfeest verzeild was geraakt waar ik niets mee te maken had, en omdat het daar gratis drinken was, werd ik toen zo dronken als een aardbei. Bont en blauw van het fietsen thuis thuiskwam, en mijn lieve vredig slapende broertje z’n gezicht wakker kotste (Hij sliep toen namelijk beneden op ons stapelbed, ik boven). Hoe Peter(een andere jeugdvriend) toen met z’n verschrikkelijke tea-kwon-do technieken per ongeluk mijn tand uit mijn mond had geschopt en hoe boos oma toen werd toen Stefan daar zo verschrikkelijk om moest lachen. Toen de stoute Stefan weer voor de zoveelste keer uit huis was geschopt en hij stiekem onze kelder bewoonde en ik brood en pindakaas uit onze keukenkast stal om hem in leven te houden (Of was het de Deep Purple dubbel LP waar ik het om deed?).

De verhalen gingen maar door en door. De wijn begon steeds lekkerder te smaken. Een hamburger in de pan. Totdat er plotseling, tussen al mijn herinneringen, een snerpende run klonk. Toen had Jim voorzichtig zijn hengel van de rod-pod geplukt en wij vlug in de boot. Ik natuurlijk een beetje wankel, beetje bezopen. Zo al ‘schuitje varen theetje drinken’ over het blinkende water, drilde Jim de vis over al die baren. Prachtig! En toen vingen we hem, en niks geen draadbreuk. Hoera!! Maar wel weer een kleintje: geloof zeventien pond.

Karpers vallen hier zeker niet uit de lucht. De vijfde nacht: het was weer windstil, maar toch ving ik één klein visje. Een piekerig, armzalig runnetje deed me met veel branie uit mijn slaapzak springen, het tafeltje omschoppen en naar mijn hengel duiken. Ik had hem, toch helaas weer geen grote, dat voelde ik meteen. Daarna Jim  gewekt via ons vernuftige apparaat dat we in de nacht bij ons dragen. Onze walkie-talkie heeft namelijk een alarmknop, want het geblèr van ons is soms zo hysterisch, daar hebben jullie echt geen weet van. Het karpertje  woog ongeveer 12 pond.

Eigenlijk is er niet veel leven zichtbaar in dit meer. Zelfs geen watervogels, niet eens een eend. Waarschijnlijk komt dit door het doodgewone feit dat er nog helemaal geen waterplanten of wier aanwezig is om ze te voeden. Gek, zo ver in het voorjaar. De enige planten hier in het water zijn verzopen takjes wat ooit kleine struikjes moeten zijn geweest en graspollen die op sommige plekjes, verrast door het hoge tij, onder water staan. Kreeftjes heb ik ook nog niet gezien. Wel watervlooien en een dikke snoek die een eindje verderop in het zonnetje in het ondiepe water lag te dromen. Ook niet te vergeten is het hertje waar ik met mijn lompe laarzen achterna sloop om er een foto van te maken. Ik als een soort bioloog van achter een bosje en wanneer het hertje met zijn tong het water uit het beekje zou lepelen zou ik die foto maken. Maar helaas, ik heb hem natuurlijk nooit meer gezien. En dan niet te vergeten de zo véle kikvorsen die hier tot diep in de nacht met hun langdradige gesprekken, waar ik soms zo gek van werd dat ik bijna uit mijn tent wilde springen om ze de monden te snoeren en toespreken alsof het allemaal stoute kinderen betrof. Zo van: “Willen jullie nu allemaal jullie bekken dicht houden, en gaan slapen anders kom ik wel even naar de overkant om jullie een flink pak op jullie falie te geven!”  Maar helaas, kikkers zijn niet te commanderen en karpers trouwens ook niet. En als ik zeg: “Bijt!” dan luisteren ze toch niet. Alleen die paar karpertovenaars schijnen het te kunnen. Karpertovenaars die met hun gigantische trofeeën in de diverse karperbladen staan.

Verder is het hier een beetje een rommelig zooitje. Allerlei attributen staan op de kant troosteloos op de zomer te wachten. Zelf gefabriceerde steigers, een soort springschans, verzopen boten en overal in het water, en zelfs op het land, de verschillende soorten drijvende voorwerpen, die als boeien met hun ketenen vast aan de grond verankerd staan. De enigste man die ik hier tot nu toe sprak vertelde dat het hier zomer’s een el dorado is voor de watersport. Dat het vooral de waterscooter is die van het karpervissen in de zomer een gevaarlijk kansspel maakt.

En toen, als een donderslag bij een heldere hemel, begon de wind weer hard te blazen. Net als op Salagou, zo wispelturig, zo veranderlijk kan hij hier in dit gedeelte van Frankrijk zijn. Het ene moment is het windstil alsof het nooit zal veranderen, het andere moment kan het ineens weer als een gek gaan waaien, en nog wat…Die richting vanwaar hij met z’n bolle wangen plots verschijnt kan soms wel 180 graden verschillen. Gek word je ervan!

Ja, wind: “Waarom werk je niet een keertje met ons mee?” vraag ik me zorgelijk af. Wind, wind, oh eeuwige wind. En wanneer het geklots steeds dieper tot me doordringt veranderen mijn gedachten de omgeving en groeit er recht voor mijn neus een bekend tafereel uit de grond. “Weer die tafelberg!”, ik herken hem meteen, en ik ben weer beland op Salagou, mijn grote liefde. Als het een vrouw was, lag ik aan de oever van haar weelde, zal ik maar zeggen. Daar waar ik haar voor de eerste keer zag, en  terwijl ik daarna weer in haar mysterieuze diep blauwe ogen wegzwijmel, en daarbij de wind ook weer over haar lange rode, golvende haren blaast, hoor ik Mike weer door mijn gedachten blèren. Mijn grote zoon die er toen op Salagou ook bij was. Harder steeds harder.

“Pappa, pappa!!’ schreeuwt hij door mijn oren, en wanneer ik opkijk vanuit mijn boekje zie ik hem met grote passen naar mijn tent komen. “De wind is gedraaid!!” roept hij uiteindelijk, op een manier alsof hij net de honderdduizend gewonnen heeft. Wanneer hij voor mijn tent stilstaat en ik zijn blijde gezicht zie, wijst hij ook nog met z’n arm en wijsvinger gestrekt recht vooruit in de wind: het bewijs! Ik leg het boekje neer en stap vlug uit mijn onderkomen om het wonder te aanschouwen.

Inderdaad, de wind was eindelijk gedraaid. Na vier dagen uit de verkeerde hoek te hebben geblazen, blies hij z’n frisse adem recht in onze gezichten. Oh, wat waren we blij, want na vijf dagen te hebben geblankt voelde dit toch als een geschenk uit de hemel. En toen Jim even later ook nog superenthousiast arriveerde met het bericht dat de Engelsen hadden beweerd dat het vannacht ging stormen, helemaal. De karpers zouden eindelijk naar ons toe komen spoelen. Zo’n lekkere wind hadden we in ons leven nog nooit gevoeld. De tenten werden voor alle zekerheid een stuk van de branding gezet. De boilies verschoond, lijnen allemaal opnieuw uitgevaren en het voer uitgestrooid, en, en, en… Kortom, we waren er helemaal klaar voorrrrr!

De nacht begon, en de wind maar blazen. Eerst zo glorieus, alsof niets mij zou kunnen deren, en er alleen karpers in mijn gevoel triomfeerden. Later toen de windvlagen het op mijn tent gemunt leken te hebben niet meer. Nee, ’t voelde ineens niet zo lekker meer, die wind, al rukkend en trekkend aan mijn arme tent. Soms met zo’n boosheid dat ik bang werd dat mijn stokken zouden knappen, en wat dan? Ik kroop dieper in mijn slaapzak. In mijn fantasie zag ik het al voor me, en ook daar wist ik me geen raad. Ja, wat zou je eigenlijk als eerste moeten doen, vroeg ik mezelf af. Wat was het noodplan?  En toen begon het gelazer. Eerst dacht ik nog dat het bij de storm hoorde, dat golven de oorzaak waren. Alle piepers begonnen te piepen. Nadat ik maatregelen had genomen, door stukjes piepschuim in de hengelogen te proppen, werd het weer even stil. Wat een rust… maar niet voor lang. Het gepiep begon weer van voren af aan alsof het een verbond had gesloten met de wind, zo van: kom laten we die Edward maar eens flink pesten! Ja, voer die volume knop nog maar wat op, dat wordt lachen!  Het lukte, het lukte! Ik werd er gek van en terwijl het ook nog begon te regenen en nu samen met de storm mij daarbij belaagde, begon ik de hengelogen steeds voller te proppen. Zo ging het maar verder. Een strijd was het geworden, ik tegen twaalf piepende piepers. Totdat ik de zoveelste keer uit mijn tent kroop, maar nu met stukken kurk verstopt in mijn handen en een vreemde grijns op mijn gezicht. Nee, mij kregen ze niet gek, oh nee, en ik propte wild een stuk in een van hun piepende ‘bekken’. Terwijl ik dat deed zag ik, vanuit mijn ooghoek, dat een andere hengel het stukje piepschuim uitspuugde en begon te blèren.

“Hè, een run?” ging het door me heen, ik twijfelde. Maar toen ik het draad van de molenspoel door de ogen in het donkere water almaar zag verdwijnen, pakte ik de hengel en sloeg aan. Ik voelde meteen dat er iets aan zat, want het zwom door het water. Ja, een logge vis trok de lijn héél gestadig door de slip, alsof ik aan een U-boot vastzat, zo voelde het. De hengel stond daarbij zo krom als een hoepel toch kreeg ik de vis tot staan, maar telkens wanneer ik stopte met het pompen zwom hij weer verder van me af, totdat… Totdat mijn hengel doormidden snapte, hoe was het mogelijk!

Hoe dat mogelijk was?  Nou, gewoon. Ik heb namelijk drie hengels en omdat je in Frankrijk met vier stokken mag vissen had ik voor deze gelegenheid een bij het top afgebroken hengel opgelapt door er een nieuw oog aan te zetten. Hij was misschien maar twee centimeter korter, maar toch zorgde het ervoor dat de hengel gewoon finaal door midden brak… Ja, daar stond ik dan een beetje lullig met mijn afgebroken hengel in de storm.

Om een lang verhaal kort te maken… Gelukkig kwam er al gauw hulp en samen met Jim heb ik het draad waar de karper aan zat, tenminste dat dachten we, doorgeknipt en aan een andere hengel gebonden. Bij het inhalen van een andere hadden we het eigenlijk al in de gaten want ook daar zat iets zwaars aan. Het was namelijk zo dat door de storm een heleboel wier in het meer was losgeslagen, vervolgens door de golven bij de kant verzameld, om het tenslotte door ’n een of andere stroming, als een soort lavapap langs de kant, door onze lijnen te voeren. Aan al die lijnen zaten kilo’s en kilo’s wier, en ook die karper bleek gewoon uit een homp van misschien wel twintig kilo plantenzooi te bestaan dat natuurlijk  uiteindelijk door de storm en z’n gewicht op tilt was geslagen. Vandaar die ene run.. Wel twee uur waren we toen bezig om alles weer van onze lijnen af te pulken. Wat een toestand was dat zeg. Maar nu ga ik stoppen met schrijven morgen is er weer een nieuwe dag!

Dag zes. Ik werd vanochtend zwaar wakker, zwaar en koud met het gevoel dat ook dit keer de kans op een grote karper nihil is. ‘Ach wat maakt het uit!’ probeer ik mezelf almaar wijs te maken. ‘Als die karper komt is het meegenomen zo niet, ook goed!’ Toen mijn tentstok plots spontaan weer doormidden brak verkeerde ik helemaal in een ‘opperste feeststemming’, maar niet heus.

Het rolletje Amnesia gaan we vandaag toch nog gebruiken, want het werd te gek. De enige run die we in de nacht hadden gehad was al zonder echt een weerstand spontaan doormidden gebroken dus echt veel vertrouwen hebben we niet meer op dat o zo bejubelde draad. Amnesia gaat nu een fusie aan en samen zullen ze er voor moeten zorgen dat de karpers er aan blijven bengelen.

De laatste avond staat voor de deur, erop of eronder laat ik maar zeggen! Want ik heb een verheugde mededeling: misschien eindigen we deze sessie wel met een spetterend eindpunt. De wind is namelijk gedraaid en blaast, met z’n twee bolle wangen zijn adem recht in ons baaitje. ‘Joepie!’ Wat een mooi gehoor. Het kletsen der golven, het ruisen der bomen. En weet je wat er ook mee zit? Er is een staalblauwe lucht en de zon zal ons met zijn straaltjes helpen om het oppervlakte water te verwarmen en de wind zal het daarna allemaal verzamelen, om het vervolgens linea recta in onze baai te blazen. “Dankjewel zon! Dankjewel wind!”, maar ik zal niet te vroeg juichen, want de dag is nog zo lang.

En terwijl ik die laatste zin nog niet eens af had weerklonk de eerste run al door mijn oren. Twee prachtige drillen in het blinkende, zonnige, opspattende water. Vlak achter elkaar, ‘Prachtig!’ De éérste karpertjes zijn hier gearriveerd en door de wind hierheen gespoeld. Maar zou de rest van hun familie ook mee zijn gekomen? Hun grote broer of die dikke zus, vader of moeder? Misschien opa, of hun bed overgrootmoeder(Die nog steeds leeft en aan een zeldzaam soort van vetzucht lijdt).

De laatste nacht is ook alweer bijna voorbij. Wanneer ik naar buiten kijk, waar het ochtendgloren nog moet worden geboren, realiseer ik mij dat er een wonder moet gaan gebeuren om één van die dikke veertigers hier nog te vangen. Windstil… Nee, het is over en uit! Uiteindelijk hebben we hier tot nu toe toch nog zeven karpers gevangen, maar niet zo’n veertiger uit de diverse karperbladen. Om eerlijk te zijn, echt verliefd zoals op Salagou ben ik uiteindelijk ook niet geworden en zullen daardoor waarschijnlijk hier nooit meer terugkomen. Ach, een one night stand van zeven nachten lang is toch uiteindelijk ook niet verkeerd? Maar we zullen door blijven gaan om al die betoverde wateren, die we nog in petto hebben, te gaan bevissen. Op een mooie dag zullen we zeker ook één van die veertigers op het droge tillen. Echter één simpele wijsheid zal ik toch moeten proberen in mijn twee kleine oortje zien te knopen. Ja, en gewoon vertrouwen op de wijze woorden die een Engelse karpervisser me ooit toefluisterde. Een moeilijke opgave. Laat ik, net zoals ik dit verhaal ben begonnen ook weer mee afsluiten. Dus nogmaals: ‘Don’t worry about the wind’, een waarheid als een koe.

  • Mieltjuh
    24 juli 2013 17:44

    Mooi verhaal! Hopelijk heb je in de toekomst nog meer mooie verhalen voor ons in petto!

Schrijf een reactie


Tip!Visgerei dat u bij lokale hengelsportwinkels koopt, is online vaak goedkoper! Online vind je diverse acties, zoals op Raven.nl.